Door middel van de gezegdes: een ezel stoot zich niet 2x tegen dezelfde steen, niet in 7 sloten tegelijk lopen en met je hakken over de sloot, zal ik uitleggen hoe het voorspellend brein werkt.
Stel je loopt in een weiland en stoot jezelf tegen een grote steen, iemand zonder autisme zal dat hooguit 2 keer overkomen en zal dan een algemeen plaatje vormen (ik moet opletten waar ik loop in dit weiland want er kunnen stenen liggen.)
Waarbij ik zal denken (precies op deze plek ligt een steen in dit weiland dus moet ik hier op letten!)
De volgende keer dat ik door hetzelfde weiland loop, zal ik dus precies op die plek bv 5 meter naar links lopen om die steen te willen ontwijken, maar die steen is ondertussen al 5 meter verplaatst, doordat iemand hem heeft weggeschopt, waardoor ik alsnog tegen dezelfde steen stoot.
Mijn hersenen maken dan een nieuw plaatje; die steen kan daar of 5 meter verderop liggen.
Stel dat dit iedere keer gebeurt dat de steen verplaatst wordt, dan gaan mijn hersens dus telkens een nieuwe verwachting maken en nieuwe berekeningen.
Mijn hersens zijn daar zo mee bezig dat ik niet in de gaten heb dat er ook nog een sloot in dat weiland is, dus loop ik zo in die sloot.
Mijn hersens maken weer een nieuwe berekening; er kunnen dus in dit weiland stenen liggen, maar er ligt ook 1 sloot.
Tegen de tijd dat dat plaatje is gevormd, lig ik alweer in de volgende sloot, dit gaat zo door tot ik bij de zesde sloot ben.
Dit keer laat ik me niet foppen door mijn hersens en probeer over de sloot te springen, maar het plaatje dat mijn hersenen hebben, is niet berekend op springen over die sloot, dus beland ik met mijn hakken over de sloot.
Pas als ik omkijk zie pas dat er een brug was over alle sloten, kortom mijn hersenen maken er pas achteraf een totaalplaatje van zoals mensen zonder autisme dat doen; dit weiland en dus ook eventuele andere weilanden bevat stenen en sloten, dus pas op waar je loopt.
